T.a.v.:
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Postbus 20350
2500 EJ Den Haag
Datum: 5 september 2025
Onderwerp: Aandachtspunten i.v.m. consultatie wetswijziging WAS2023
Geachte heer, mevrouw,
Voor ons ligt de wetswijziging WAS 2023 ter consultatie. In de aanloop naar dit moment heeft de Branchevereniging Spelen & Bewegen feedback mogen geven namens de branche. Wij waarderen deze mogelijkheden van gesprek en inspraak. Dit draagt bij aan een positief gevoel over de uitvoerbaarheid van het voorstel dat nu voorligt.
Dit alles laat niet onverlet dat wij namens de branchevereniging alsnog voor enkele punten aandacht vragen ten doeleinde de wet in de praktijk te laten slagen en werkbaar te houden. Voor de leden van de branchevereniging gaan kwaliteit en veiligheid hand in hand. Het is vanzelfsprekend te werken conform de Europese normen én de Nederlandse wet, en bovenal te werken voor een veilige en gezonde speelomgeving.
We hebben met een vertegenwoordiging van toestelontwerpers, vertegenwoordigers van merken van speel- en beweegtoestellen en veiligheidsinspecteurs gekeken naar het voorstel.
Dit heeft geleid tot 5 aandachtspunten en enkele suggesties voor een nadere (tekstuele) check (zie bijlage 1). U dient in ogenschouw te houden dat ons uitgangspunt de categorie speeltoestellen betreft. En dan hoofdzakelijk niet mobiele speeltoestellen in de buitenruimte, inclusief speeltoestellen van een eenvoudig ontwerp.
Aandachtspunt 1: De uitputtende lijst van activiteiten in de definitie speeltoestel
Referentie: wijziging Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023, inzake artikel 1, wijziging A, punt 9, ‘Speeltoestel’ en in Beleidsregel reikwijdte, paragraaf 2.2 ‘Speeltoestellen’, punt c
Als definitie voor actieve verrichtingen op een speeltoestel wordt een reeks activiteiten opgesomd. Het risico van een dergelijke uitputtende lijst, is dat deze niet compleet is en/of ruimte laat voor discussie over de activiteiten of voor interpretatieverschillen. Onder welke activiteit valt het voortbewegen van een speelvlot? En wordt een zitschotel van een kabelbaan geschaard onder hangen of slingeren, omdat zitten niet genoemd wordt? Wij vinden bovendien dat vallen en vliegen niet tot de activiteiten op een speeltoestel behoort.
Ook de activiteit vliegen vinden wij niet passend. Een mens is fysiek gezien niet in staat te vliegen. En er is naar ons weten geen speeltoestel dat een mens in staat stelt te vliegen. Wij stellen voor ook deze activiteit niet op te nemen in de lijst. Activiteiten als springen, schommelen, slingeren en ronddraaien lijken de lading afdoende te dekken. Zo niet, dan valt de activiteit zweven te overwegen.
Bovendien focussen de genoemde activiteiten in de lijst op bewegingsspel, terwijl ook andere vormen van spelen zoals fantasiespel/rollenspel, constructiespel, regelspel, educatief spel en exploratief spel worden ondersteund door (onderdelen van) speeltoestellen. Denk aan al dan niet op zichzelf staande speelwandjes zoals boter-kaas-en-eieren, speelhuisjes, een zand- of watertafel en een graafmachine. Wij geven ter overweging mee dat bepaalde speeltoestellen door de omschreven activiteiten buiten het WAAS en bijbehorende keuringsplicht lijken te vallen.
Aandachtspunt 2: Verduidelijking draagstructuur/draagconstructie
Referentie: wijziging Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023, wijziging A, inzake artikel 1, wijziging 9
Het valt ons op dat er gekozen wordt voor twee ogenschijnlijk vergelijkbare termen in de definitie van speeltoestel, te weten draagstructuur en draagconstructie. Het zijn in de basis termen die een nadere uitleg behoeven. In de beleidsregel reikwijdte wordt in paragraaf 2.2 draagstructuur uitgelegd als ‘een constructie met inbegrip van componenten en constructieve onderdelen die samen belasting afvoeren’. Ook hierdoor lijken structuur en constructie in definitie op vergelijkbare hoogte gesteld te worden. Zou voor de duidelijkheid niet voor of de term draagstructuur óf de term draagconstructie gekozen kunnen worden?
Aandachtspunt 3: Definitie speeltoestel van eenvoudig ontwerp
Referentie: wijziging Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023, inzake artikel 1, wijziging A, wijziging 9, ‘Speeltoestel van een eenvoudig ontwerp’
De uitvoering om speeltoestellen van eenvoudig ontwerp te kunnen plaatsen zonder keuring steunen wij vanuit het beperkte risicoperspectief. Wij vragen enkel de voorgestelde definitie verder aan te scherpen en/of te verduidelijkheden. De huidige definitie kan tot onzekerheid leiden waardoor speeltoestellen van een eenvoudig ontwerp toch onnodig gekeurd gaan worden. En hiermee wordt de beoogde keuringsverlichting niet behaald. Wij denken dat dit weggenomen kan worden.
De huidige omschrijving ‘een vrije valhoogte van maximaal 60 centimeter’ kan uitgelegd worden als interne valhoogte en hiermee kan er een constructie gecreëerd worden met bijvoorbeeld platforms van maximaal 60 centimeter hoog, niet‐ overklimbare balustrades of een kooi zonder gedwongen beweging en bewegende onderdelen die mogelijk niet beoogd wordt als een eenvoudig ontwerp. Wellicht biedt de toevoeging ‘tot de ondergrond’ na ‘een vrije valhoogte van maximaal 60 centimeter’ houvast.
Met deze definitie van een speeltoestel van een eenvoudig ontwerp wordt volgens ons een speelhuisje met een vrije valhoogte van maximaal 60 centimeter en met een dak dat in ontwerp niet bedoeld is om beklommen te worden, ook gezien als eenvoudig ontwerp. Is dit correct?
Door de omschrijving ‘(een deel van) de valruimte van het speeltoestel niet uit water of andere objecten bestaat’ kan het vermoeden ontstaan dat de valruimte van een speeltoestel van een eenvoudig ontwerp gedeeltelijk wél uit water mag bestaan. Wij vermoeden dat bedoeld wordt, dat de gehele vrije valruimte niet uit water bestaat. Zou de dubbele uitleg ondervangen kunnen worden? Kan ‘(een deel van)’ weggelaten worden?
In de artikelsgewijze toelichting van een speeltoestel van een eenvoudig ontwerp wordt verwezen naar lage stapstenen. Echter worden deze stapstenen vaak als parcours of in een cluster geplaatst en liggen deze in elkaars valruimte met een reeds beproefd acceptabel risico. Maakt dat een clustering van meerdere speeltoestellen van een eenvoudig ontwerp niet langer een speeltoestel van eenvoudig ontwerp is en dus goedkeuring al zijnde ‘speeltoestel’ vereist is, omdat de objecten zich bevinden in elkaars valruimte? Of is er een wijziging of uitleg mogelijk waardoor een cluster of parcours toch kwalificeert als speeltoestel van een eenvoudig ontwerp?
Aandachtspunt 4: Ter verificatie, bewaartermijn actueel dossier speeltoestel beheerder
Referentie: wijziging Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023, inzake artikel 19 en 20
Het dossierbeheer rondom een speeltoestel blijkt in de praktijk een samenspel tussen fabrikant, importeur, distributeur of gemachtigde en beheerder. Het is zelfs niet ongebruikelijk dat de fabrikant of diens substituut hier een adviserende rol in heeft. Voor de fabrikant van een speeltoestel of diens substituut is de bewaarplicht voor het technische constructiedossier en keuringsrapportage eerste keuring ‘tot twintig jaar na de laatste productie van het speeltoestel’.
Maar wat is het bewaartermijn van het actueel dossier op toestelniveau voor de beheerder na afkeuring, hetzij onklaar maken van een toestel, hetzij anderszins kennelijk niet meer voor gebruik bestemd is? Artikel 20 stelt over de documenten bedoeld in artikel 13 ‘gedurende de levensduur van het toestel’ en er zijn meerdere referenties naar ‘zolang het toestel in gebruik is’. Mag je dit uitleggen dat het dossier niet langer bewaard hoeft te worden door de beheerder na afkeuring, hetzij onklaar maken van een toestel, hetzij anderszins kennelijk niet meer voor gebruik bestemd is? Zo niet, is het mogelijk een duidelijk wettelijk bewaartermijn op te nemen in het warenwetbesluit?
Aandachtspunt 5: Onderscheid tussen speeltoestel én sporttoestel en tot spelen uitnodigende (kunst)objecten in de publieke ruimte
Referentie: nieuwe beleidsregel reikwijdte, specifiek in paragraaf 2.2 punt c) en paragraaf 3
In de beleidsregel reikwijdte wordt duiding gegeven aan het onderscheid tussen onder andere speeltoestellen en sporttoestellen. Wij herkennen dat het onderscheid niet eenduidig voor alle (eventueel) voorkomende situaties vast te leggen is. Meer afkaderen en/of meer vastleggen zien wij ook niet als oplossing.
Wij vragen ons af of een stroomschema zoals opgenomen in beleidsregel reikwijdte 2007 ook voor deze beleidsregel reikwijdte opgesteld kan worden. Het is een pragmatisch hulpmiddel gebleken.
Omdat diverse leden ook vakspecialisten zijn voor sporttoestellen in de (semi-)openbare ruimte en/of terreininrichters zijn, hebben zij dagelijks te maken met het spanningsveld in het onderscheid tussen toestellen voor spelen/recreëren en sportbeoefening. En in het verlengde hiervan met (kunst)objecten- en installaties die niet primair bedoeld zijn om op te spelen/recreëren, maar wel hiertoe uitnodigen.
De verwachting is ook dat dit onderscheid een onderwerp van gesprek blijft na ingang van het WAAS en tot onduidelijkheid en de daarbij behorende twijfels en vragen zal leiden. Wij hopen en doen hierbij de uitnodiging hierover in gesprek te blijven. Hierbij is het goed voor ogen te houden dat wij hierin volgens ons een gezamenlijk belang hebben; de veiligheid en de gezondheid van de gebruiker te bewaken met het gebruiksdoel in ogenschouw.
Tot slot willen we de volgende zaken in dit kader benadrukken – waarschijnlijk ten overvloede -:
- Een kind houdt niet op met spelen daar waar in het ontwerp de grenzen van de speeltuin eindigt. Maar het is onmogelijk en onbedoeld (semi-)openbare ruimte als één grote speeltuin te ontwerpen;
- Onbedoeld gebruik van sporttoestellen in de (semi-)openbare ruimte door kinderen lijkt onvermijdelijk. Maar het schiet zijn doel voorbij dit als redelijkerwijs te verwachten gebruik te kwalificeren, mits de plaats/plaatsing niet duidt op spelen of recreatie en/of als er maatregelen zijn getroffen om duidelijk te maken dat het toestel bedoeld is voor sportbeoefening;
- Er zijn ons ook andere objecten in de (semi-)openbare ruimte bekend die uitnodigen tot spelen/recreëren en waarvan je kan beargumenteren dat het onder het WAAS hoort te vallen. Ook al zijn deze niet met dit doel ontworpen of substantieel gewijzigd hiertoe, noch dat het vooraf als verwacht gebruik is opgemerkt;
- Wij moedigen de verwijzing naar de EN-normen en ISO-standaarden aan.
Voor vragen of nadere toelichting zijn wij bereikbaar.
Met vriendelijke groet,
Namens branchevereniging SPELEN & BEWEGEN,
Michiel van Campen
Voorzitter
Bijlage 1:
20250905 Bijlage bij BVSB Brief VWS Consultatie Wetswijziging WAS2023
